Stadsprogramma Antwerpen

A. Introductie

Iets meer dan een maand geleden hebben we onze partij voorgesteld met de ambitie voor een eerste keer deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen. In de tussentijd zijn we erin geslaagd om ons verkiezingsprogramma te finaliseren en vandaag aan U voor te stellen. Met een ambitieuze bescheidenheid erkennen we de hindernissen die een beginnende partij moet nemen en overwinnen om er tegen oktober te staan, maar tegelijk geloven we in de uniciteit van ons politiek en ideologisch DNA te midden van de heersende polarisatie tussen links en rechts.

Onze uniciteit, zo zal U merken, komt niet uitsluitend tot uitdrukking door onze vernieuwende ideeën in het kader van de Participatiesamenleving. Het is vooral de moed hebben om linkse en rechtse recepten op een evenwichtige manier – synergetisch én efficiënt – op te nemen in de voorstellen die worden geformuleerd. Wij hebben ons deze basisfilosofie eigen gemaakt, juist omdat de linker- en rechterzijde ons allen hebben meegesleurd in een stellingenoorlog. Er is geen sprake van constructief beleid, net zoals er geen sprake is van constructieve oppositie.

Aan de hand van onze programmapunten hopen we te kunnen duiden hoe we deze ambitie, samen met U én in het kader van de participatiesamenleving, kunnen concretiseren.   

B. Stadsprogramma

1. Veilige stad

  • Invoering van diversiteitsquota bij de politie
  • De districten een grotere rol geven inzake veiligheid
  • Het systeem van buurttoezicht uitbouwen
  • Betere beveiliging van de haven
  • Inzetten op identificeerbare rolmodellen
  • Beschermen en begeleiden van de getroffen families
  • Strijden tegen seksuele intimidatie op straat
  • Aanpakken van buurtoverlast en verkeersagressie
  • Buurtbewoners opleiden in het detecteren van afwijkende situaties
  • Veiligheidstips van buurtbewoners ter harte nemen

REPRESENTATIEVE POLITIE

De veiligheid van Antwerpenaren is een van de topprioriteiten van de stedelijke overheid. De lokale politie vervult deze taak onder het gezag van de burgemeester, maar de kloof tussen politie en burger is helaas blijven toenemen. Deze vaststelling wordt enerzijds versterkt door de onaanvaardbare gevallen van agressie tegen de politie en anderzijds door de even verwerpelijke casussen van discriminatie binnen het korps. Daarnaast leeft in sommige wijken ook een sterk gevoel van   etnische profilering  in hoofde van de politie, met als gevolg dat het wantrouwen blijft groeien.

 

Deze problematiek nemen wij zeer ernstig en bijgevolg pleiten we voor een stad die streeft naar een   breed gedragen politiekorps dat op wederzijdse respect moet kunnen rekenen. De politie moet daarvoor een betere weerspiegeling zijn van de aanwezige diversiteit in de stad. Hoewel de stad heeft ingezet op gerichtere rekruteringscampagnes, blijken de resultaten ontoereikend om op afzienbare tijd over een diverser en representatiever politiekorps te beschikken.

 

Een divers politiekorps is echter zo cruciaal dat een   tijdelijke invoering van diversiteitsquota bij de politie onafwendbaar wordt om de noodzakelijke inhaalbeweging te verwezenlijken. Met deze aanpak verbindt de stad zichzelf ertoe om de drempel naar effectieve rekrutering te verlagen. De quota zijn echter een laatste, doch noodzakelijk instrument dat moet worden ingezet tot op het punt dat de maatschappelijke evenwichten op organische wijze kunnen worden bereikt. Deze laatste dynamiek geniet immers onze voorkeur. De stedelijke overheid moet zichzelf er dan ook toe verbinden om de duurzame interesse en het blijvende vertrouwen in te winnen bij de burgers die een job bij de lokale politie ambiëren.

LOKALE WIJKWERKING

De lokale politie moet zich veel meer toespitsen op de lokale wijkwerking met behulp van haar wijkagenten. Om deze ambitie waar te maken moet de rol van de districten op het gebied van veiligheid veel verder gaan dan vandaag. Vooral met betrekking tot leefbaarheidsproblematieken is het districtsniveau veel beter geplaatst om een gepast beleid voor te stellen en desgevallend uit te voeren in samenspraak met de stedelijke overheid. De politie heeft hiervoor echter nood aan een veel breed draagvlak in álle districten. De districten moeten er bijgevolg op toezien dat de tevredenheid van de burgers over de lokale politie in stand blijft. Districten én burgers moeten met elkaar in dialoog kunnen treden in een daarvoor op te richten overlegplatform. Zo nodig moet het district een luisterend oor bieden aan de verzuchtingen van burgers en dient ze daarbij het bewustwordingsproces over het belang van een gedragen politiekorps in gang te zetten.

BUURTTOEZICHT

In lijn met de vereisten voor een succesvolle lokale wijkwerking, moet de politie ook kunnen rekenen op de verantwoordelijkheidszin van de burgers. Omgekeerd gaan de burgers met behulp van de politionele ondersteuning mee kunnen instaan voor een veilige en leefbare stad. We willen bijgevolg voortbouwen op het concept van de buurtinformatienetwerken (BIN’s). Dit is een participatiemodel waarin burgers kunnen worden ingeschakeld om de veiligheid van de buurt mee te bewaken door bijvoorbeeld specifieke toezichtsopdrachten uit te voeren. Om dit model echter levensvatbaar te houden is het verkleinen van de kloof tussen politie en burger wederom cruciaal. Een stadsbestuur moet daarom consequent een mediërende rol vervullen wanneer er spanningen opsteken tussen de politie en de burgers. Een stadsbestuur dat de spanningen op de spits drijft, of door haar communicatie zélf de oorzaak vormt van de polarisatie tussen beiden, is dan ook uit den boze. 

DRUGSPROBLEMATIEK

De drugsproblematiek is een voorbeeld bij uitstek van een uitdaging waarin noch de politie noch het stadsbestuur eenzijdig een totaaloplossing kunnen bieden. Zo is de zogenaamde ‘War on Drugs’ er niet in geslaagd om de toenemende drugsgerelateerde criminaliteit te bedwingen. Een loutere lik-op-stukbeleid heeft gewoonweg niet gewerkt. Te meer omdat de repressieve aanpak teniet werd gedaan door structurele lekkages in de beveiliging van de haven. We ondersteunen daarom ook het Federale ‘Stroomplan’ dat recent is ingevoerd, maar staan niettemin vooral een antidrugsbeleid voor dat het probleem bij de wortels aanpakt.

Een tweeledige aanpak dringt zich hiervoor aan. Enerzijds moeten gezinnen die getroffen worden door drugsbendes veel beter ondersteund en begeleid worden. Zij vangen immers de eerste signalen op van hun kinderen, maar belanden in de praktijk vaak tussen twee vuren. In plaats van hen als medeplichtigen te brandmerken, moet de stedelijke overheid hen als duurzame partners beschouwen in de strijd tegen de drugscriminaliteit. Naast het politionele werk om de drugscriminaliteit te beteugelen moet er dus veel meer worden geïnvesteerd in het begeleiden en beschermen van de getroffen families.

Anderzijds moet de stad veel vroeger en veel actiever inzetten op het ‘antigif’ dat de allerkleinsten immuun maakt tegen de lokroep van het zogenaamde ‘patsergeld’. Vaak zijn dit minderjarigen uit kansarme gezinnen die de ernst van de criminaliteit niet kunnen plaatsen en mede door sociale druk in de drugscriminaliteit stappen. Om dit tegen te gaan moet de stad gebruikmaken van identificeerbare, authentieke en gezaghebbende rolmodellen uit de betrokken wijken. Daarnaast moeten alle maatschappelijke actoren, gaande van het onderwijs tot en met de jeugdbeweging of sportclub informerend optreden om deze jongeren te wijzen op de inherente consequenties en gevaren. Zij vervullen immers naast de ouders eveneens een opvoedkundige rol.

De criminaliteitscijfers tonen een correlatie aan tussen het criminaliteitsverleden en het religieus extremistisch gedrag van terreurverdachten. Een antidrugsbeleid dat zich toespitst op een tweeledige aanpak is bijgevolg de beste waarborg tegen het gevaar van extremistisch geweld. De stedelijke overheid moet bijgevolg ook inzetten op een beter overleg met religieuze leiders teneinde dit veelkoppig monster te verslaan. Dit kan alleen als het huidige stadsbestuur de dialoog met álle gemeenschappen vitaal houdt.

VEILIGE WOONWIJK

Naast de specifieke aandacht voor drugsgerelateerde criminaliteit, moet de stedelijke overheid ook de veilige woonwijk ter harte nemen. Een gedegen preventiebeleid blijft daarbij van primordiaal belang. Zo behoren inbraakpreventie en de reeds aangehaalde buurttoezicht tot een van de topprioriteiten van de stad. De lokale politie kan vandaag de dag rekenen op een uitgebreid cameranetwerk, maar hierdoor wordt vooral het onderzoek verder geholpen nadat de feiten zich reeds hebben voorgedaan.

Om straatcriminaliteit, woninginbraken en zogenaamde ‘kleine’ criminaliteit preventief aan te pakken, moet de lokale politie bijgevolg meer anticiperen op mogelijke veiligheidsrisico’s. Dit doet ze enerzijds door de veiligheidstips van het buurttoezicht serieus te nemen en anderzijds door elke burger bewuster te maken inzake veiligheidspreventie.

In plaats van ‘meer blauw op straat’ moet de veiligheidsbeleving op een meer serene én effectieve manier worden opgekrikt. Zo is de strijd tegen seksuele intimidatie, buurtoverlast, verkeersagressie, of kortom alle ruimtelijke veiligheidsincidenten, bij uitstek een gezamenlijke verantwoordelijkheid van politie en burger. De politie blijft uiteraard haar monopolie op handhaving behouden en het verbod op eigenrichting moet dus worden gerespecteerd, maar het is voor de stedelijke overheid een blijvende prioriteit om de zorg voor de eigen woonwijk door alle burgers te laten internaliseren.

2. Woonbare stad

  • Het creëren en opwaarderen van buurtpleinen en parken
  • Een goede balans bewaren tussen wooncapaciteit en leefbaarheid
  • Toezien op de betaalbaarheid en kwaliteit van woningen
  • De wetgeving rond huisjesmelkerij afdwingen
  • Invoeren van praktijktesten tegen discriminatie op de woningmarkt
  • Het aanbod aan sociale huur- en koopwoningen uitbreiden
  • De ecologische leefbaarheid in de stad verhogen
  • Investeren in groendaken en energiezuinige renovaties
  • Plastic afval sterk terugdringen
  • Groene ambassadeurs de mogelijkheid geven om het publieke groendomein mee te onderhouden
  • Invoering van het systeem van statiegeld
  • Netheid in de buurt nastreven door burgerlijke betrokkenheid
  • Zwerfvuil en sluikstorten actiever tegengaan

RUIMTELIJKE ORDENING

Antwerpen is een grootstad waar meer dan een half miljoen inwoners hun thuis hebben. ’t Stad is echter ruimtelijk beperkt en dus dichtbebouwd, waardoor woningen weinig vrije ruimte hebben. Het creëren en opwaarderen van grote buurttuinen, buurtparken en pleintjes is bijgevolg een pad dat wij verder willen bewandelen. Zeker in geconcentreerde sociale woonwijken is het bewaken van een goede balans tussen wooncapaciteit en leefbaarheid cruciaal. Naast het in kaart brengen van de sterktes en zwaktes van de vele wijken, pleiten we daarom voor effectieve en wijkgerichte acties die de noden kunnen inlossen, gaande van het bestrijden van leegstand boven winkels tot het (her)aanleggen van voetpaden, fietspaden en buurtpleinen.

PRIVATE WONINGMARKT

De toenemende bevolkingsaantallen in de stad brengt ook de nodige vraag naar een afdoend woonaanbod met zich mee. Vooral de vraag naar betaalbare en kwalitatieve eengezinswoningen en appartementen moeten we als stad koesteren om ervoor te zorgen dat we jonge gezinnen en alleenstaanden in de stad kunnen houden. Daar waar dit toepasbaar is moet de stad bovendien ook verder blijven investeren in hoogbouw. Dit doet ze consistent en transparant conform de hoogbouwnota. Tegelijk moet de stad waken over de impact van nieuwe wooncomplexen op de nabije omgeving. Er moet steevast preventief in dialoog getreden worden met de omwonenden en compenserende maatregelen worden doorgevoerd. 

Huisjesmelkerij is een virus dat de stad al eeuwenlang teistert. Het treft voornamelijk bepaalde achterstandswijken in de stad, waardoor de getroffen gezinnen door deze malafide praktijk vaak ook onder de armoedegrens blijven leven. De stad moet de slachtoffers van huisjesmelkerij actiever bijstaan door meer maatschappelijke werkers hiervoor in te schakelen. De stad kan indien nodig ook verder gaan haar ‘krotbelasting’ verder op te drijven of dergelijke panden op te kopen en te herwaarderen. Om dit te bewerkstelligen dient de stedelijke overheid te blijven inzetten op het systeem van sociaal beheer.

De huisvestingsmarkt moet ook discriminatievrij worden. Nog te veel burgers maken melding van aanhoudende discriminatie op de woningmarkt en meer bepaald op de huurmarkt. Op basis van de rapporten van Unia kan er worden geconcludeerd dat zelfregulering op zichzelf onvoldoende heeft bijgedragen aan een eerlijke huisvestingsmarkt. Onderzoek toont aan dat na het invoeren van praktijktests bij immobiliënmakelaars de discriminatie op de Gentse immobiliënmarkt is gedaald. Antwerpen moet bijgevolg, naar Gents model, werk maken van praktijktesten. Tegelijk moet de stedelijke overheid er bij de Vlaamse overheid op aandringen om de lokale aanpak op te schalen en de discriminatie op de woningmarkt over de hele regio aan te pakken.

SOCIALE HUISVESTING

De beschikbare sociale huisvesting ligt in Antwerpen met 10% net boven het Vlaamse gemiddelde. Antwerpen is echter een stad die wordt gekenmerkt door een groeiende demografie, waardoor het noodzakelijk blijft om te blijven investeren in het aanbod aan sociale woningen.

Zo moet de stad extra inzetten op het systeem van erfpachtwoningen. Hiermee worden verouderde sociale woningen ter beschikking gesteld onder een erfpachtovereenkomst. De erfpachter wordt daarbij eigenaar van de woning voor een periode van minimaal 70 jaar, op voorwaarde dat hij de woning renoveert binnen een overeengekomen termijn. De erfpacher betaalt een jaarlijks canon dat slechts enkele honderden euro’s bedraagt. De renovatie van de woning dient te voldoen aan de wettelijke normen.

Daarnaast moet de stad verder inzetten op het systeem van sociale koopwoningen. Dit zijn nieuwe woningen die gebouwd worden door private bouwondernemingen en die worden verkocht tegen gunstige voorwaarden aan mensen met een bescheiden inkomen, o.m. doordat de overheid haar gronden gratis te beschikking stelt. Door middel van leaseovereenkomsten met private financierders kan de stad er verder ook voor zorgen dat er bijkomende sociale huurwoningen worden gerealiseerd.

Om mensen met een laag inkomen te helpen verhuizen naar een betere en/of aangepaste woning, moet de stad er ook voor opteren om het systeem van huursubsidies te versterken. Mensen die hier net niet voor in aanmerking komen moeten bij de stedelijke overheid een tegemoetkoming kunnen vragen om te verhuizen naar een betere en/of aangepaste woning. Op deze manier bestrijdt de stad tegelijk ook de praktijk van huisjesmelkerij ten aanzien van de middenklasse. 

GROEN EN LUCHTKWALITEIT

De luchtkwaliteit in de stad is zorgwekkend. De hoge concentraties aan stikstofdioxide die zijn gemeten, duiden erop dat de Antwerpenaren nog lang geen zicht hebben op gezonde lucht. Het meest verontrustend is de luchtkwaliteit in en boven onze Antwerpse scholen. De stad moet bijgevolg inzetten op meer groen en minder luchtvervuiling. Dat laatste is sterk verbonden met de wijze waarop we ons in en rond de stad verplaatsen. Door de strategische ligging van de Antwerpen als havenstad en haar geografische ligging als centrumstad, heeft de stad te maken met een dagelijkse toestroom van personenwagens en vrachtwagens die zowel de Ring als de binnenstad verzadigt.

De Oosterweelverbinding is al jaren het voorwerp van politieke besluitvorming waarin, zij het na een langdurige juridische strijd, de burgerparticipatie het meest tot uitdrukking is gekomen. Wij verwelkomen daarom het pact dat de intendant met alle betrokken partijen heeft gesloten en dringen er bij de verschillende overheden op aan om zowel bij de aanleg van de Oosterweelverbinding als bij de overkapping van de Ring het inspraakrecht van de burgers serieus te nemen.

Er moeten extra maatregelen genomen worden teneinde de hinder van de werken aan de Oosterweelverbinding zo draaglijk mogelijk te maken. De ervaringen die zijn opgedaan met de zogenaamde ‘knip’ in de Leien, in functie van de werken aan de Noorderlijn en de F. Rooseveltplaats, moet de stedelijke overheid meenemen naar alle toekomstige wegenwerken. Zo moeten de werken zo min mogelijk ten koste te gaan van de bereikbaarheid van lokale handelaars en dient de sociale hinder eveneens naar een minimum te worden herleid. Desnoods kan nagedacht worden om de werken de klok rond te laten plaatsvinden.

De ecologische leefbaarheid van de stad is dus een primaire zorg. De toenemende urbanisatie moet hand-in-hand gaan met compenserende maatregelen ten voordele van het groen en leefmilieu in de stad. De overkapping van de Ring zal nieuwe open ruimtes doen ontstaan. Op deze ruimtes moet zowel plaats zijn voor nieuwe wooneenheden als publieke leefruimtes met veel groen.

Verder moet de stad voortgaan op het elan waarin ze de Antwerpenaar ertoe aanzet om kleine, doch waardevolle, aanpassingen te verrichten die de stad groener en leefbaarder moeten maken. Investeringen in groendaken, energiezuinige renovaties e.d. dienen dus verdergezet te worden. Ook moet de stedelijke overheid het concept van de ‘groene ambassadeurs’ invoeren en hen de mogelijkheid geven om het publieke groendomein mee te onderhouden. De stad structureel samenwerken met de Vlaamse overheid, teneinde een integrale aanpak te kunnen verwezenlijken.

PROPERE WIJK

Vlaanderen is sorteerkampioen. De sterktes van dit systeem moeten bijgevolg worden behouden. Desondanks blijft de afvalberg groeien en is vooral de toenemende oceaanvervuiling door plastic afval een zorgwekkende evolutie. De huidige inspanningen in het terugdringen van plastic afval schieten dus enorm tekort. We ondersteunen bijgevolg het federale actieplan en het voorstel van de Europese Commissie om bepaalde types plastic te bannen en te vervangen door evenwaardig en gebruiksvriendelijk materiaal. Om het hoge plastic gebruik dat opgelegd wordt aan de consument terug te dringen, moet verder ingezet worden op de mogelijkheden van deze consument om op een later tijdstip dit afval bij de leverancier te droppen.

We vinden een propere stad enorm belangrijk. De stedelijke overheid mag geen genoegen nemen met het repressief instrument van de Gemeentelijke Administratievele Sancties (GAS-boetes), maar moet daarentegen veel meer werk maken van een mentaliteitswijziging. Daarom moet de stad enerzijds zelf intensief inzetten op afvalvermindering en afvalverwijdering, maar richten we ons appèl eveneens naar de Antwerpenaar om mee in te staan voor ‘hun’ propere buurt. In functie van van deze ambitie dringen we er bij de regionale overheid op aan om na te denken over de invoering van het systeem van statiegeld in te voeren. Dit is een extra incentive waarmee zwerfvuil en sluiksorten structureel kan worden teruggedrongen.

3. Mobiele stad

  • Het verbeteren van de luchtkwaliteit en het verduurzamen van de mobiliteit
  • De overkapping van de Ring in het Toekomstverbond realiseren
  • De autodruk in de woon- en hoofdstraten drastisch verminderen
  • Zwaar vrachtverkeer uit de schoolstraten bannen
  • Zwarte punten in het verkeer wegwerken
  • De hinder van de wegenwerken tot een minimum herleiden
  • De vloot bussen van De Lijn verduurzamen
  • De vaarfrequentie van de veerboot over de Schelde verhogen
  • De premetrostations toegankelijk maken voor iedereen

MOBILITEITSPACT

Dé uitdaging voor Antwerpen op vlak van mobiliteit is opnieuw een aantrekkelijke en bereikbare stad te worden met een vlotte verkeersdoorstroming. Het verkeer moet aangenamer en veiliger worden voor voetganger, fietser, pendelaar en automobilist. Het is in Antwerpen letterlijk nog steeds een lijdensweg om je eindbestemming te bereiken. Het verkeer loopt dagelijks in de soep, onder meer door een dichtslibbende ring en toenemend sluipverkeer. De aanzienlijke wegenwerken in de stad zorgen daarenboven voor extra verkeershinder. Dit leidt tot een hoop luchtverontreiniging en onveilige verkeerssituaties.

Het verbeteren van de luchtkwaliteit en het vergroenen van de mobiliteitsmodi gaan hand in hand. Wij onderschrijven het mobiliteitspact zoals dat is voorgesteld door professor Lauwers en een aantal middenveldorganisaties. Dit pact zien wij als een vertrekpunt om te komen tot een veilige en slimme stadsmobiliteit. De rode draad doorheen onze visie is dat burgers meer inspraak moeten krijgen bij de organisatie van de stedelijke mobiliteit. De stedelijke overheid moet daarvoor het kader van de burgerbegroting opschalen naar het gemeentelijk niveau met daarin een apart budget voor infrastructuur. Dit laatste moet dan ook op districtsniveau geïmplementeerd worden.

VERKEERSVEILIGHEID

Het verkeer moet veel veiliger worden in Antwerpen, zeker voor fietsers en voetgangers. Verkeersveiligheid moet daarom de hoogste prioriteit krijgen bij elke ingreep in de verkeersorganisatie. Zo moet onder meer de autodruk in de woonstraten en hoofdstraten worden verminderd door transportmiddelen met een laag veiligheidsrisico te stimuleren en deze ook voorrang te geven. De wachttijden voor fietsers en voetgangers aan de verkeerslichten dienen daarvoor te worden beperkt, kruispunten moeten op hun beurt veilig en conflictvrij zijn, maar daar waar het kan moet naar Brussels model worden bekeken of we fietsers bij een rood licht alsnog rechts kunnen laten afslaan. Zwaar vrachtverkeer moet bovendien geweerd worden uit schoolstraten gedurende de in- en uitloop aan de schoolpoorten. Ze dient verder ook te worden gescheiden van fiets- en voetgangersroutes. Dit is een radicaal omgekeerde filosofie dan die het stadbestuur vandaag onder meer hanteert voor de Turnhoutsebaan in Borgerhout waar ze, in plaats van de automobilist, net de fietser heeft weggepest naar de parallelle straten.

In Antwerpen zijn er heel wat ‘zwarte punten’ in het verkeer. Op korte termijn vielen er verschillende dodelijke slachtoffers te betreuren. Deze zwarte punten moeten daarom door middel van infrastructurele ingrepen veiliger worden gemaakt. Om het rijgedrag in de stad verantwoord en veilig te maken dient de stedelijke overheid samen met bovenlokale overheden verder werk te maken van controles. Meer bepaald in functie van alcohol-, drugs- en gsmgebruik, maar evenzeer in de handhaving van de ‘zone 30’ in de bebouwde kom.

BEREIKBAARHEID

Koning auto is al lang geen koning meer. Desondanks blijft ze een vaste plek opeisen in het straatbeeld en moet vooral het gebruik van de auto verminderen. Antwerpen moet daarom een slimme stad worden die zo bereikbaar mogelijk is. Om te beginnen moet er eindelijk werk gemaakt worden van de Oosterweelverbinding – in de huidige vorm omgedoopt tot het Toekomstverbond. Daarnaast moeten de stadskernen gevrijwaard worden van zwaar vrachtverkeer en moet er gekeken worden naar een duurzame en efficiënte levering van producten aan de lokale handelaren. Verder dienen personenwagens die van buiten stad komen zo veel mogelijk geweerd te worden uit het centrum. Dit kan door verder werk te maken van parkeertorens aan de stadsranden met een goede aansluiting op het openbaar vervoersnet (de zogenaamde Park and Rides). In de stadskernen zelf dient de parkeerdruk in de straten dan weer te worden verlaagd door betaalbare buurtparkings te voorzien.

Daarnaast moet er meer dan vandaag geïnvesteerd worden in openbaar vervoer door de frequentie en het aantal tram- en busstellen te maximaliseren. Tegelijk moet er een vast budget vrijgemaakt worden in de stedelijke begroting om de abonnementen op De Lijn goedkoper te maken. Ook moet de stedelijke overheid de vloot bussen van De Lijn ook verduurzamen door meer in te zetten op alternatieve energiebronnen. Net zoals de stad nieuwe tramlijnen aanlegt in nieuwe woonwijken (Eilandje, Nieuw Zuid, …) dient ze ook de bestaande geïsoleerde buurten toegankelijker te maken. Zo moet de verbinding met Linkeroever veel meer mogelijkheden genieten en daarom pleiten we voor een verdere investering in de uitbouw van de veerboot. De vaarfrequentie moet omhoog evenals het aantal stopplaatsen. Alleen zo maken we het gebruik ervan aantrekkelijk genoeg voor de Antwerpenaar. De voorgestelde fietsbrug kan een aanvulling betekenen wanneer de capaciteit van de Kennedyfietstunnel en de Sint-Annatunnel geoptimaliseerd worden.

We moeten met z’n allen écht werk maken van een mentale omslag naar een leven dat onafhankelijker wordt van de auto. Om deze ambitie waar te kunnen maken moet de dienstverlening met betrekking tot mobiliteit strakker georganiseerd worden. Een geïntegreerde aanpak van het (openbaar) vervoer is bijgevolg nodig om verschillende vervoersmodi zoals trein, tram, bus, deelauto’s en deelfietsen beter op elkaar af te stemmen. Zo moeten particulieren ook een elektrische fiets kunnen leasen aan een betaalbaar maandelijks tarief dat inkomensafhankelijk is. Op deze manier zorg je ervoor dat reizigers gemakkelijk en vlot kunnen overschakelen van de ene vervoersmodus naar de andere. Het blijft bijgevolg een uitdaging om een performanter, stipter en uitgebreider openbaar vervoersnetwerk te realiseren dat toegankelijk is voor álle Antwerpenaren. Dat laatste is nog niet overal het geval, daar er nog verscheidene verouderde premetrotunnels zijn die niet toegankelijk zijn voor personen met een handicap, ouders met buggy’s, etc. Het moet bijgevolg bovenaan de agenda liggen van de stedelijke overheid om deze dienstverlening voor elke Antwerpenaar te kunnen verzekeren.

4. Welvarende stad

  • Burgers op districtsniveau voldoende informeren over hun sociale rechten
  • Administratieve ondersteuning door automatisering en digitalisering
  • Structureel ondersteunen van burgerinitiatieven
  • Een activeringsbeleid op poten zetten
  • Betere begeleiding van werkzoekenden naar knelpuntberoepen
  • Werkzoekenden laten meedraaien in het vrijwilligerswerk
  • Het ondernemingsklimaat in de stad bevorderen
  • Duidelijke criteria voor winkels verschaffen en afstappen van de belasting op ‘imagoverlagende winkels’
  • Student-ondernemerschap verder stimuleren
  • Stedelijk netwerk van microkredieten uitrollen waarin privaat kapitaal centraal staat

ARMOEDEBESTRIJDING

Het statuut van een welvarende stad bereik je slechts wanneer je als stedelijke overheid de armoede succesvol de baas kan. Vandaag blijft armoede echter dé schandvlek binnen en buiten de stad. Vele inwoners verkeren nog in armoede of zijn zelfs dakloos. Een armoedebestrijdingsplan dat de dramatische armoedecijfers écht wilt aanpakken dringt zich bijgevolg aan. Vooral kinderarmoede moet een van de absolute topprioriteiten worden van de stedelijke overheid. 

De stad moet in al haar beleidsdomeinen, die een impact hebben op de welvaart van de inwoners, rekening houden met het bijbehorende armoederisico. Deze aandacht is van groot belang zowel op het vlak van betaalbaar wonen, betaalbare energie- en waterfacturen, als op het vlak van onderwijs, tewerkstelling en het sociaal beleid. De stad moet haar informatieverplichting ter harte nemen door de burgers op districtsniveau bewust te maken van hun sociale rechten. Hierin blijft het OCMW – ook na de opname ervan in de stedelijke vorm – het orgaan dat hiervoor instaat. De grootstedelijkheidskenmerken van Antwerpen vereisen echter ook extra inspanningen.  De stedelijke overheid moet er bij de bovenlokale overheden daarom op aandringen om meer middelen ter beschikking te stellen ter bestrijding van de structurele armoede in de stad.

Het is echter niet door het louter aanwenden van méér staatsmiddelen dat de armoede structureel bestreden kan worden. Hiervoor dient zich ook een nieuwe burgerlijke filosofie aan, waarbij de zogenaamde verantwoordelijkheden van de (actieve) welvaartsstaat ook aangevuld kunnen worden door de participatiesamenleving. Daarbij dient de vrijwillige inzet van burgers en private instituten (Vzw’s, Stichtingen, Fondsen, enz.) principieel in het verlengde van de welvaartsstaat te worden geplaatst. Dit kan gaan om het organiseren van extra maaltijden voor arme gezinnen, door deze letterlijk en figuurlijk af te rekenen aan de kassa’s van een collectief van buurtwinkels en supermarkten, tot het aanbieden van taallessen, het aanscherpen van sollicitatievaardigheden en het stimuleren van deeltijdse arbeid.

ARBEIDSPARTICIPATIE

We willen de arbeidsparticipatiegraad sterk verhogen. Enerzijds omdat we een solidaire gemeenschap voorstaan waar iedereen op een evenredige manier bijdraagt aan de sociale zekerheid, en anderzijds omdat we geloven dat dit de beste en meest duurzame manier is om de sociale mobiliteit van alle Antwerpenaren te kunnen verhogen. 

De stedelijke overheid dient daarom samen met de VDAB en het OCMW verder werk te maken van een activeringsbeleid. Werkzoekenden moeten beter begeleid worden naar een job en de stad moet hiervoor zélf de kansen aanbieden en verhogen. Zo moeten de vaardigheden van werkzoekenden blijvend aangescherpt worden om bij de overheid zelf, de haven, de luchtvaart en in andere sectoren aan de slag te kunnen gaan. In dat laatste geval gaat de voorkeur uit naar die sectoren waar het personeelstekort het meest nijpend is. De stedelijke overheid moet er bij de bovenlokale overheden op aandringen om een uitkeringsbeleid op poten te zetten, waarin werkzoekenden – die zich voorbereiden op het uitoefenen van een van de vele knelpuntberoepen – bevoordeeld kunnen worden, doch zonder te raken aan het leefloon van de overige werkzoekenden. 

De stedelijke overheid kan echter ook zelf de participatiegraad verhogen door een kader uit te werken voor lokale burgerparticipatie, waarin ook werkzoekenden hun bijdrage kunnen leveren conform de regeling voor vrijwilligersvergoedingen. Dit kan gaan van armoedebestrijding tot het verlenen van kinderopvang, seniorenzorg en zelfs buurttoezicht. Hiermee dragen werkzoekenden actief bij aan het sociaal weefsel, verbeteren ze hun CV en vergemakkelijken ze de opstap naar een reguliere job vergemakkelijkt.

ONDERNEMERSCHAP

De lokale economie van de stad is voor vele gezinnen dé welvaartsmotor bij uitstek. De stedelijke overheid moet er bijgevolg voor zorgen dat het ondernemingsklimaat in de stad positief is en blijft. De stad moet ook blijven investeren in sectoren die bijdragen aan haar imago als ‘toeristische winkelstad’. Dit, door de budgettaire en administratieve drempels binnen die sectoren zo veel mogelijk terug te dringen.

Desondanks blijft het aangewezen voor de stedelijke overheid om de vrije ontplooiing van ondernemingen zo min mogelijk te beknotten, daar dit voor vele gezinnen de brug vormt naar zelfredzaamheid. De recent ingevoerde belasting op ‘imagoverlagende winkels’ moet bijgevolg worden afgeschaft en in plaats daarvan dient de stad haar beleid meer toe te leggen op structurele controle en op de handhaving van de regelgeving. Zo kan de stedelijke overheid in samenwerking met bovenlokale overheidsinstanties bij de vaststelling van onregelmatigheden de gepaste maatregelen treffen, zonder te moeten raken aan de financiële leefbaarheid in de stad. 

Om van Antwerpen een stad van zelfstandige ondernemers te maken is het echter noodzakelijk om te blijven investeren in ondernemerschap. Gaande van onderwijsprojecten, die al bij de jongste Antwerpenaren de nodige ondernemingsprikkels kunnen veroorzaken, tot het aanmoedigen van ‘student-ondernemers’ en het bevorderen van de relatie tussen enerzijds het (Antwerpse) bedrijfsleven en anderzijds het secundair- en hoger onderwijs.

Antwerpen moet een stad zijn die kansen geeft aan startende ondernemers. De stedelijke overheid moet bijgevolg werk maken van een stedelijk netwerk microkredieten. Een microkrediet is een klein bedrag (tot 15.000 EUR) dat wordt uitgeleend aan individuen of aan groepen ondernemers. Dit bedrag dient als startkapitaal voor een eigen onderneming. Dit geeft micro-ondernemers die buiten het klassieke banksysteem vallen de kans om een zakelijk project te realiseren. Daarnaast kan microfinanciering heel wat economische opportuniteiten met zich meebrengen voor maatschappelijk kwetsbare groepen die weinig tot geen toegang hebben tot conventionele financiering. Het is een systeem dat achterstandswijken een nieuwe impuls kan geven en fungeert bovendien ook als deeloplossing voor de grootstedelijke armoedeproblematiek.  Deze fondsen dienen bij voorkeur van private aard te zijn, waarbij deze private personen of ondernemingen een gemeentelijk belastingvoordeel kunnen bekomen dat vergelijkbaar is met de belastingvermindering voor giften. Dit belastingvoordeel blijft vanzelfsprekend gedurende de gehele looptijd van het microkrediet van toepassing. De lokale overheid centraliseert deze bedragen en kent ze toe na goedkeuring van het dossier, wat inhoudt dat ze hiervoor eveneens borg moet staan.

5. Zorgzame stad

  • De participatiesamenleving vanuit burgerinitiatieven stimuleren
  • De veiligheidsbeleving van senioren verbeteren
  • Ervoor zorgen dat senioren zo lang mogelijk in eigen vertrouwde woning kunnen blijven
  • De woonzorgcentra op maat en naar de specifieke wensen van de senior organiseren
  • Senioren uit hun sociaal isolement halen
  • Meer inspraakrecht voor senioren geven in het beleid
  • Betere fysieke en sociale toegankelijkheid voor senioren verwezenlijken
  • Intergenerationele relaties versterken
  • Wachtlijsten voor kinderopvang terugdringen
  • Onthaalouderschap extra ondersteunen naar opleiding en financiële vergoeding
  • Gezinsopvang verder promoten

VERZORGINGSSTAAT

De welvaartsstaat staat door de economische crisis en de vergrijzing steeds meer onder druk. Dit systeem is in haar klassieke vorm niet meer houdbaar vanwege de oplopende kosten van bijvoorbeeld de zorg. De transitie naar een participatiesamenleving zou veel verandering kunnen brengen in de zorg. De kosten en het welzijn van de samenleving kan daardoor worden gehandhaafd. Deze transitie is er echter één die geleidelijk aan van onderuit moet groeien. Het is niet aan de overheid om dit model op te leggen, maar de overheid moet deze transitie wel faciliteren.

Volgens ons is het vooral zaak om de participatiesamenleving vanuit burgerinitiatieven op kleine en lokale schaal tot uitdrukking te laten komen, en wij wensen deze initiërende praktijk van onderen uit in gang te zetten door daadwerkelijk een appèl tot uitdrukking te brengen en samen met z’n allen hieraan te werken. Participatie betekent deelnemen aan het maatschappelijke leven. Dit kan heel breed gaan. We nemen deel als consument, verenigingslid, automobilist, fietser, kiezer, enzovoort. Volwaardig deelnemen aan het sociale leven is dus een recht voor iedereen, zo ook voor senioren. Senioren zijn extra kwetsbaar voor isolement en vereenzaming. Verlies van een partner of vrienden zorgt voor een neerwaartse spiraal die de gezondheid, het welzijn en de mobiliteit op ernstige wijze in het gedrang kunnen brengen. De participatiesamenleving zorgt voor een bijkomend opvangnet, daar waar de normale zorg ontoereikend is geworden.

SENIORENZORG

Senioren zijn de historische sociale uitdrukking van de stad en verdienen als geen ander om gekoesterd te worden door de gemeenschap. Het is echter een uitdaging voor de stedelijke overheid om haar senioren zo veel en zo lang mogelijk actief te laten participeren in de samenleving. Vereenzaming van de senior tegengaan is daarom het belangrijkste doel.  Men bereikt echter nog veel te weinig senioren, waardoor de vrees groeit dat velen onder hen nog meer met armoede, gezondheidsproblemen e.d. te maken zullen krijgen. Het waarderen en versterken van de positie van de senioren in onze samenleving is daarom een must. Senioren moeten meer inspraak krijgen in het beleid, daar hun ervaring van groot belang is. Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke leven is niet alleen in het voordeel van de senior zelf, maar is ook voor het beleid van onschatbare waarde.

Het bestaande aanbod aan initiatieven op het vlak van de seniorenzorg moet verder opgebouwd en uitgebreid worden. Een deel van de senioren heeft specifieke behoeften op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Goede combinaties van voorzieningen en een passende woonomgeving zijn zaken waar zij veel waarde aan hechten. Inkomensondersteuning voor senioren met een laag inkomen is bijgevolg noodzakelijk. Uit schroom durven zij immers vaak niet naar het OCMW te stappen, waardoor een automatische permanente evaluatie van deze doelgroep moet leiden tot de automatische verkrijging van deze inkomensondersteuning.

Senioren voelen zich verder ook niet altijd veilig in de buurt van (hang)jongeren. Dit gevoel neemt af door senioren en jongeren met elkaar in contact te brengen. Toch is het van belang om aan dit gevoel van onveiligheid extra aandacht te verlenen. Onder meer de kans op inbraak moet sterk afnemen door de woning van senioren adequaat te beveiligen. Verder moeten ook donkere en onveilige plaatsen in de stad en districten gedetecteerd en vervolgens beter verlicht worden. Door het systeem van buurttoezicht kan de ruimtelijke veiligheid in dit geval ook verder worden opgevolgd.

Om ervoor te zorgen dat senioren zich makkelijker buitenshuis begeven moeten we meer investeren in de mobiliteit en veiligheid. De senioren moeten gemakkelijk kunnen deelnemen aan activiteiten door gebruik te maken van de meest geschikte vervoersmiddelen. Vandaag moeten ze allerlei aanvragen en langdurige procedures doorlopen om bijvoorbeeld een busabonnement te verkrijgen. Wij willen dit toegankelijker maken door de verkrijging van dit abonnement voor 65-plussers automatisch te laten gebeuren.

Senioren moeten langer in de eigen vertrouwde woning kunnen blijven. Bij verzorgd wonen gaat het vooral over het gevoel van veiligheid. Senioren vinden het prettig als hulp of zorg snel kan worden geboden. Zo moet het aanbieden van thuismaaltijden voor senioren door de stedelijke overheid mogelijk worden gemaakt.  Ook moet de inzet van gebruiksvriendelijke ICT het zelfstandig wonen bevorderen en de levenskwaliteit verhogen. Dit geldt zeker voor senioren die langer thuis willen blijven wonen. Elektronische toepassingen om functies te besturen (bijvoorbeeld verwarmen, ventileren en verlichten) en diensten uit de woonomgeving te gebruiken (bijvoorbeeld alarmeren, telefoneren, etc.) kunnen onderzocht worden. Het onderhouden van de (eigen) woning houdt ook in dat een woning op tijd wordt voorbereid voor de toekomst (vooraleer de bewoner mogelijke fysieke belemmeringen gaat ondervinden) zodat senioren zo lang mogelijk in hun eigen woning kunnen blijven wonen.

Desalniettemin moeten ook de zorgcentra hun diensten op maat van de senior aanbieden. De stedelijke en bovenlokale overheden moeten erop toezien dat het welzijn van de senior in haar woonzorgcentra wordt gegarandeerd. Zo moeten ook de bijkomende maatregelen getroffen worden om de huiselijke sfeer en autonomie van de senior zo veel mogelijk te benaderen. Zowel op het vlak van voeding, kledij als op het gebied van de persoonlijke levensstijl, dienen de zorgcentra zich aan te passen aan de senior en niet andersom.

Eenzaamheid tast het psychisch en/of sociaal welbevinden aan en kan leiden tot andere psychische en lichamelijke gezondheidsproblemen. De stedelijke overheid moet daarom in haar kader van de participatiesamenleving ook huisbezoeken aan senioren integreren. Het sociaal isolement kan hiermee voorkomen worden en een langdurig verblijf in de eigen woning kan zo langer houdbaar blijven voor senioren. Buren, familieleden, of betrokken burgers die voor elkaar zorgen, versterken het onderlinge welzijn en bijgevolg het sociale weefsel. Met de huisbezoeken kunnen onder meer ook enkele huishoudelijke opdrachten worden verricht zoals het vuil buitenzetten, een brief helpen invullen, kleine boodschappen meebrengen, een lamp vervangen, enzovoort. Deze opdrachten kunnen ook in het kader van intergenerationele relaties plaatsvinden. Het is aan de stedelijke overheid om dit te faciliteren, onder meer via een speciaal daarvoor ontwikkelde app.

Tot slot moet de stad ook werken aan een toegankelijk beleid voor senioren. Sommige senioren vinden hun weg niet naar de verschillende voorzieningen voor wonen, welzijn en zorg. Er moet daarom een zorgloket komen dat als centraal punt kan fungeren voor de senioren. Dit zorgloket heeft een advies- en doorverwijsfunctie. Het bestaan van dit zorgloket moet continu gecommuniceerd en gepromoot worden naar de senioren en dit op verschillende mogelijke manieren, desgevallend door een mobiele unit die zich minstens één keer per maand bij hen in de buurt aanbiedt. Verder moeten senioren bij de (her)aanleg van nieuwe straten en wijken niet enkel om advies worden gevraagd, maar dienen zij ook te kunnen meebeslissen. De activiteiten van de stad moeten toegankelijk zijn voor senioren met een fysieke, verstandelijke en/of psychosociale beperkingen. Iedereen moet gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot de verenigingen en instellingen.

KINDEROPVANG

Voor ons is kleuterparticipatie zeer belangrijk. Kinderen moeten zo vroeg mogelijk naar school kunnen gaan. De stedelijke overheid dient er bij de bovenlokale overheden op te blijven hameren dat de leerplichtleeftijd naar 3 jaar moet worden gebracht. Tot die leeftijd zijn (werkende) ouders afhankelijk van kinderopvang voor hun kinderen. Vandaag zijn de wachtlijsten voor kinderopvang te lang. De vraag stijgt ook recht evenredig met de toenemende tewerkstellingsgraad. Onder de erkenning van Kind en Gezin worden verschillende vormen van kinderopvang aanvaard. Enerzijds heb je de gezinsopvang, waarbij er gemiddeld 4 kinderen worden opgevangen. Deze opvang vindt meestal plaats in de eigen woning van de kinderbegeleider, ook wel onthaalouder genoemd.  Anderzijds heb je ook de groepsopvang, waarbij veel meer kinderen worden opgevangen in een kinderkribbe of kindercrèche. Deze opvang vindt meestal plaats in een apart gebouw of in een apart deel van een groter gebouw.

Beide soorten opvang zijn belangrijk om het aantal beschikbare plaatsen op peil te houden en verder te verhogen. Conform ons participatiemodel streven we er echter naar om veel meer in te zetten op ‘onthaalouders’, daar wij de opvang in de serene huiselijke sfeer verkiezen. Tegelijk moet de stedelijke overheid in het kader van de participatiesamenleving iedere burger kunnen aanmoedigen om één of meerdere kinderen te kunnen opvangen. Deze formule van kinderopvang moet verder worden uitgetekend in samenwerking met Kind en Gezin. De formule van de private crèches moet ook in stand gehouden worden om het aanbod toereikend te houden in functie naar deze specifieke vorm van opvang, maar deze vorm van kinderopvang geniet niet de voorkeur om bijkomend gesubsidieerd te worden. We ondersteunen de vooropgestelde maatregelen waarin de Vlaamse overheid de kosten gaat dekken, die dienen om de kostprijs tussen de private kinderopvang en de gesubsidieerde kinderopvang aan te vullen. Wij willen echter wel dat gelijkaardige financiële inspanningen door het stadsbestuur worden gedaan om de kinderopvang, in het kader van de participatiesamenleving, structureel op te zetten.

6. Onderwijzende stad

  • Voor elk kind een plek in een duurzame en moderne school
  • Een aantrekkelijke lerarenopleiding voor een groter en diverser lerarenkorps
  • Maximale vrijheid in de schoolkeuze van ouders
  • De nodige bijstand voor elk kind met leer- en taalachterstand
  • Een significante verbetering van de in-, door- en uitstroomcijfers binnen het basis-, secundair- en hoger onderwijs
  • Een aanlokkelijke bruisende studentenstad met betaalbare en kwalitatieve studentenhuisvesting
  • Een schoolomgeving waar elke leerling zich thuis voelt
  • Afschaffing van het hoofddoekenverbod in het stedelijk onderwijs
  • Verankerde brede buurtscholen als centraal punt in de wijk

SCHOOLCAPACITEIT EN PERSONEEL

In lijn met de toenemende stedelijke bevolking stijgt ook de nood aan voldoende schoolcapaciteit. De stedelijke en regionale overheid moeten daarom extra inspanningen leveren om een duurzaam scholenaanbod te verzekeren. Zo moeten meer middelen worden vrijgemaakt om de tekorten structureel weg te werken door enerzijds zélf te investeren in duurzame en moderne schoolgebouwen en anderzijds nieuwe particuliere initiatieven aan te moedigen, vooral in nieuwe wijken en buurten die een exponentiële bevolkingstoename ondergaan.

Naast het capaciteitsprobleem is ook het aantrekken van voldoende leerkrachten een blijvend pijnpunt. De stad moet daarom, samen met de verschillende onderwijsnetten en het hoger onderwijs, extra initiatieven nemen. De recente hervorming van de lerarenopleiding door de Vlaamse overheid is een stap in de goede richting. Echter dringen we er bij de Vlaamse overheid op aan om het beroep van leerkracht te herwaarderen, zodat elk kind in Antwerpen en elders kan genieten van gegarandeerd en kwaliteitsvol onderwijs. De stad moet bovendien ook werk maken van sensibiliseringscampagnes om van de lerarenkorpsen een betere weerspiegeling te maken van de superdiverse stad. Deze doelstelling dient te worden geïntegreerd in het Antwerpse Schoolpact dat de stad samen met de onderwijsnetten sluit.   

VRIJE SCHOOLKEUZE

Parallel aan het capaciteitsprobleem loopt de uitdaging om elk kind in de beoogde school in te schrijven. In het inschrijvingsdecreet streeft de Vlaamse decreetgever ernaar om een sociale mix te verwezenlijken op alle scholen. Een nobel streven dat wij sterk ondersteunen.

De Vlaamse overheid riep daarvoor het systeem van de ‘dubbele contingentering’ in het leven. Dit is een systeem dat scholen verplicht om twee inschrijvingslijsten te hanteren van respectievlijk indicator- en niet-indicatorleerlingen. Deze verplichtig zou de sociale mix moeten bevorderen en geldt voor scholen die zich verenigen in een Lokaal Overlegplatform (LOP). Het systeem heeft in de praktijk echter onvoldoende haar nut bewezen en heeft de vrije schoolkeuze van de ouders daarentegen disproportioneel aangetast. We stellen het systeem bijgevolg sterk in vraag en pleiten ervoor om dit facultatief te maken in een vernieuwd inschrijvingsdecreet.

De vrije schoolkeuze moet centraal staan en kan enkel onderhevig zijn aan specifieke voorrangsregels met betrekking tot de gezinsbanden (broer, zus, kinderen van onderwijspersoneel, …)  en een afstandscriterium dat voorrang verleent aan de buurtbewoners. Het bereiken van een sociale mix in de scholen blijft desalniettemin een te koesteren ambitie. We verzetten ons echter tegen de idee dat ‘concentratiescholen’ per definitie minderwaardig zijn of een rem vormen op de leerresultaten van de kinderen. Scholen met een hoge concentratie aan leerlingen uit kansengroepen moeten echter wel kunnen rekenen op bijkomende middelen van de overheid om de eventuele leer- en taalachterstanden tijdig weg te werken door extra te kunnen inzetten op de brede schoolwerking in het kader van de participatiesamenleving. In plaats van een gefaald systeem te handhaven dat een sociale mix van overheidswege wenst op te leggen, moet de overheid dus meer inzetten op een mentaliteitswijziging bij de scholen en ouders.

We dringen er bij de Vlaamse overheid tot slot ook op aan om de jaarlijkse taferelen van ‘schoolkamperen’ tegen te gaan. Dit kan door eindelijk werk te maken van een digitaal aanmeldingssysteem dat sluitend, transparant en eerlijk is. Om geen enkele doelgroep te ontzien kan de overheid daarbij extra maatregelen nemen in de vorm van gedegen doelgroepsgerichte informatieverstrekking en begeleiding. 

LEER- EN TAALACHTERSTAND

Antwerpen is als grootstad dé plek waar talloze bevolkingsgroepen en sociale klassen hun thuis hebben. De diversiteit is een verrijking voor de stad, maar brengt tegelijk ook enkele uitdagingen met zich mee. Zo zorgt de diverse socio-economische realiteit van kinderen voor ongelijkheid binnen de schoolmuren. Veel kinderen starten met taal- en leerachterstand aan hun traject, waardoor ze gaandeweg op onoverbrugbare drempels stuiten. Het is voor de stad bijgevolg van primordiaal belang om alle mogelijke inspanningen te leveren teneinde alle kinderen gelijke kansen te bieden. Hier ligt tegelijk een maatschappelijke opdracht die ook door de participatiesamenleving kan worden behartigd. Zowel verenigingen als individuen kunnen zich hiertoe engageren binnen het kader dat de lokale overheid daarvoor ontwikkelt of stimuleert.

Kleuterparticipatie is een van de belangrijkste uitdagingen om de taal- en leerachterstanden te voorkomen. Een stad kan gebruik maken van sensibiliseringscampagnes en moet daarvoor de nodige middelen krijgen van de Vlaamse overheid. Om een duurzame participatiegraad te bereiken pleiten we er echter voor om de leerplichtleeftijd te verlagen naar 3 jaar.

In het lager onderwijs is vooral de begeleiding ‘op maat’ essentieel om leer- en taalachterstanden te vermijden of weg te werken. Zo moeten naschoolse taal- en bijlessen mogelijk worden gemaakt in functie van de ‘brede school’ (zie verder). Een goede beheersing van het Nederlands is immers cruciaal om alle leerlingen de kans te geven op volledige talentontplooiing. Meer bepaald voor anderstalige nieuwkomers is het van groot belang om tijdig in te zetten op taalondersteuning op maat. De Vlaamse en stedelijke overheid moeten daarvoor de nodige middelen voorzien.

VROEGTIJDIGE SCHOOLUITVAL

Om de toekomst van de stad te verzekeren is het van uiterst belang om de volgende generatie klaar te stomen voor hún toekomst. De stedelijke overheid moet daarom alle mogelijke middelen gebruiken om het aantal vroegtijdige schoolverlaters terug te dringen. Naast de reeds aangehaalde maatregelen ter preventie en reductie van taal- en leerachterstand, is een aanhoudende begeleiding van leerlingen en studenten noodzakelijk. Wat het lager onderwijs betreft moeten vooral de ouders goed geïnformeerd worden over het opleidingsaanbod in het secundair onderwijs. Omdat deze verantwoordelijkheid van de ouders bijzonder groot is, moeten ze de capaciteiten van hun kind(eren) zo objectief mogelijk kunnen inschatten. Samen met de scholen moet de stedelijke overheid er bijgevolg op toezien dat de ouders consequent participeren aan de verplichte ouderbijeenkomsten.

Om een goede doorstroom in het secundair onderwijs te verzekeren, is de eerste graad cruciaal. Daarin leren leerlingen zichzelf écht kennen en kunnen de eigen talenten worden ontdekt. Wij blijven dan ook vragende partij voor een brede eerste graad waarbinnen de effectieve studiekeuze wordt uitgesteld naar de tweede graad, zonder in te boeten op de kwaliteit van het onderwijs. In functie van de recente onderwijshervorming kunnen lokale overheden netoverschrijdende initiatieven stimuleren die de leerlingen een veelzijdige kijk bieden op de eigen vaardigheden en ambities. De stad moet bijgevolg alle mogelijke initiatieven ondersteunen en faciliteren die streven naar een vlotte doorstroom van leerlingen.

Antwerpen is een stad met een uitgebreid opleidingsaanbod in het hoger onderwijs. Het is echter een grote uitdaging om leerlingen succesvol te laten instromen in de voor hen meest geschikte opleiding. De statistieken zijn alarmerend als het gaat om het bereiken van een studentenpopulatie die de diversiteit van de stad weerspiegelt. Nog schrijnender zijn de doorstroomcijfers in het hoger onderwijs en meer bepaald die van kansengroepen.

We zetten daarom sterk in op het aanmoedigen en ondersteunen van initiatieven die willen bijdragen aan een betere informatieverstrekking en begeleiding van leerlingen (en ouders). De stad moet hiervoor streven naar een structureel samenwerkingsverband tussen de onderwijsinstellingen en externe partners uit de bedrijfswereld en het middenveld.

Ook de vlotte aansluiting op de arbeidsmarkt moet nauwgezet worden bewaakt. Zo kan de stad in samenwerking met de verschillende onderwijsnetten zorgen voor een optimalisatie van het stage-aanbod met het oog op een vaste indienstname. Daarbij moet ook stelselmatig gebruik worden gemaakt van het recent ingevoerde ‘duaal leren’, waarmee de vaardigheden zowel op school als op de werkvloer kunnen worden verworven.

Jongeren die desondanks zonder diploma vallen, moeten alsnog toegeleid kunnen worden naar de arbeidsmarkt, zij het via een alternatief traject dat zich vooral richt op het verwerven van competenties die geschikt zijn voor een of meerdere sectoren. De stad moet in dit geval inzetten op de lijst van knelpuntberoepen en werkt hiervoor onder meer intensief samen met de VDAB.

STUDENTENSTAD

Antwerpen is als grootstad eveneens een studentenstad. De studenten zijn voor de diamantstad als het ware de ongeslepen diamanten. We hechten dan ook een groot belang aan het studentenleven in de stad. Kwalitatieve en betaalbare studentenhuisvesting blijft bijgevolg een uitdaging die de stad ter harte moet nemen. Er dient zich echter inhaalbeweging aan om het aanbod in verhouding te brengen met steden als Gent en Leuven. Hierbij moet de stad rekening houden met een evenwichtige verspreiding over de stad en de districten. De weinige beschikbare ruimtes in de stad moeten bijgevolg slim worden ingedeeld om ook het aantal studentenkoten op peil te houden. Idealiter zet de stad – in samenwerking met de onderwijsinstellingen – hier zelf haar schouders onder, maar om een inhaalbeweging te kunnen realiseren dient de stedelijke overheid vooral in te zetten op een investeringsklimaat waarmee het aantal studentenkoten op de private huurmarkt kan toenemen.

Daarnaast moet de stad ook blijvend inzetten op het bruisende studentenleven. Studenten zijn bij uitstek een doelgroep die de participatiesamenleving kunnen behartigen. Bijgevolg moet iedere vorm van studentenengagement, bijvoorbeeld in de vorm van studentenclubs, door de stad actief worden ondersteund.

Verder moet de stad blijvend werk maken van een ondernemingsklimaat onder de studenten. Daarbij moet meer aandacht worden besteed aan de betreding van nieuwe en toekomstgerichte markten die ontstaan in een superdiverse stad als Antwerpen. Het is dan ook cruciaal voor de stad om haar studenten ook ná de studies in de stad te houden en de economische vruchten ervan te plukken.

ACTIEF PLURALISME

Een school moet een veilige thuisomgeving zijn voor álle leerlingen. Het welbevinden van leerlingen bevordert niet alleen de schoolse prestaties, maar draagt ook bij aan hun zelfbeeld. We pleiten bijgevolg voor een nultolerantie tegenover (cyber)pesten en zetten verder in op initiatieven die pesterijen op school moeten tegengaan.

Daarnaast is het bereiken van sociale cohesie een maatschappelijke doelstelling die zeker binnen het onderwijs voorop moet worden gesteld. Van scholen moet bijgevolg worden verwacht dat ze de doelstellingen van het actief pluralisme onderschrijven, los van het eigen pedagogische project, om  bij te dragen aan de verdraagzaamheid en wederzijds respect onder de studenten. Iedereen moet gerespecteerd kunnen worden in zijn of haar identiteit. Bijgevolg staan we geen vestimentaire verboden toe die een grove inbreuk vormen op de godsdienstvrijheid van leerlingen. De stad moet het verbod op religieuze en ideologische symbolen in het stedelijk onderwijs (AGSO) derhalve opheffen en er eveneens voor pleiten deze afschaffing netoverschrijdend door te voeren.

BREDE BUURTSCHOOL

De brede buurtschool is een model waarbij de schoolgebouwen in hun volledig potentieel worden benut. Hierbij worden de ruimtes van de school ook buiten de schooluren opengesteld voor de buurt. De lokale overheid moet ervoor zorgen dat iedere Antwerpse school wordt omgevormd tot een brede buurtschool. De samenwerkingsverbanden tussen de school en het verenigingsleven vormen de drijvende krachten achter dit model.

De uitdagingen met betrekking tot in-, door- en uitstroombegeleiding van leerlingen kunnen in de lokale buurtschool rechtstreeks worden aangepakt. Ook het wegwerken van taal- en leerachterstand van anderstalige nieuwkomers kan in dezelfde buurtschool worden aangevat. Daarnaast bieden de ruimtes ook mogelijkheden voor sportclubs en kunnen de scholen eveneens bijdragen aan de gemeenschapsvorming in de omgeving. Zo wordt de ruimte in de dichtbevolkte stad efficiënt benut. 

De lokale overheid moet dus een kader scheppen waarbinnen het vrijwillige burgerinitiatief kan worden gestimuleerd om één of meerdere maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Op die manier draagt de overheid bij tot een verankering van de buurtschool als centraal punt binnen de wijk. In functie van de participatiesamenleving moet er bovendien worden onderzocht welke buurtscholen ook kunnen worden ingezet voor sociale- en zorgdoeleinden.

7. Inclusieve stad

  • De culturele integratie in de stad bevorderen
  • Een inclusief beleid voeren
  • Oprechte dialoog voeren met alle erediensten
  • Godsdienstbeleving van confessionele Antwerpenaren respecteren
  • De overheidsneutraliteit tot uitdrukking brengen in de dienstverlening en niet in het uiterlijk
  • De sportparticipatiegraad in de stad verhogen
  • Van buurtpleintjes de stuwende kracht van de wijk maken voor jong en oud
  • Jongerenparticipatie zowel in verenigingen als daarbuiten stimuleren
  • Jeugdwelzijnswerk via straathoekwerkers en pleinanimatoren versterken

CULTUUR

Antwerpen is een stad met ca. 170 nationaliteiten en beschikt daardoor over een grote culturele diversiteit. Het samenleven in diversiteit is geen evidentie, maar evenmin een onmogelijke zaak. Wij staan een sterke gedeelde publieke cultuur voor waaraan iedereen organisch kan bijdragen. Deze gedeelde publieke cultuur wordt bereikt door een beleid dat de culturele integratie bevordert. Niettemin mag de overheid géén assimilatiebeleid voeren waarin de publieke cultuur onderhevig is aan normatieve dictaten van politieke partijen. Het is echter wél de taak van de overheid om een beleid voor te staan waarmee de versterking en harmonisatie van de culturele identiteitsbeleving wordt beoogd. De stedelijke overheid, zeker in een superdiverse stad als Antwerpen, moet dus een inclusief beleid voeren dat haar inwoners niet opdeelt in identitaire kampen waarin het ene zich dient te conformeren aan het andere.

Tegelijk hoort de stedelijke overheid ook de culturele interactie binnen de stad te bevorderen, startend bij de eigen grootschalige publieke evenementen. Het is de taak en dus ontegensprekelijk de verantwoordelijkheid van een stadsbestuur om voor haar eigen evenementen een zo groot en divers mogelijk publiek te bereiken. Wanneer zij hier kennelijk niet of te weinig in slaagt dient zij de hand in eigen boezem te steken en samen met de aanwezige expertise in het socio-culturele middenveld te bekijken hoe de beoogde doelstellingen alsnog kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast moet de stad blijvende infrastructurele en materiële steun verlenen aan de actieve verenigingen in de stad. Samen met hen kan er gewerkt worden aan een cultuurbeleid dat zich inzet voor de realisatie van sociale inclusie. Hiervoor dient de stad onder meer haar engagementen in de stedelijke musea, bibliotheken, en stads- of districtsfeesten onverminderd verder te zetten.

EREDIENSTEN EN LEVENSBESCHOUWING

Levensbeschouwing is van alle tijden en plaatsen. Ook in Antwerpen verdient levensbeschouwing haar rechtmatige plaats. Wij verwerpen de tendens om religie en levensbeschouwing naar de privésfeer te verbannen. De stedelijke overheid moet werk maken van een duurzaam netwerk en oprechte dialoog met de verschillende erkende erediensten. Deze taak mag de stad niet lichtzinnig nemen, daar dergelijke contacten op talrijke beleidsdomeinen van essentieel belang zijn.

In Antwerpen moet er ruimte zijn voor religieuze beleving, zonder geculpabiliseerd te worden. Het stadsbestuur moet haar beleid bijgevolg in overeenstemming brengen met een ondubbelzinnig respect voor de godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging. Bovendien moet de stedelijke overheid de vrije meningsuiting in de stad te allen tijde en zonder onderscheid respecteren.  Ze mag echter onder geen enkel beding toestaan dat er wordt opgeroepen tot haat en geweld, en moet dienvolgens kunnen optreden wanneer inbreuken in die zin worden vastgesteld. 

Tegelijk moet de stad waken ook over haar eigen neutraliteit. De stad moet erop toezien dat haar dienstverlening neutraal verloopt. Die neutraliteit van de overheid moet ze echter inclusief benaderen, in de geest van de Angelsaksische traditie. Dit betekent dat de geleverde dienst neutraal hoort te zijn en niet de uiterlijke kenmerken van ambtenaren. De deontologische code voor personeel dat direct in contact staat met publiek, klanten of externe partners, waarin een verbod is opgenomen op het dragen van uiterlijke symbolen van levensbeschouwelijke overtuigingen moet bijgevolg worden ingetrokken. In lijn met de aangehaalde inclusieve visie op neutraliteit moet de stedelijke overheid er wel op toezien dat het personeel de actief pluralistische waarden van de stad, waaronder het respect voor andere overtuigingen, zowel in de dienstverlening als in het voorkomen eerbiedigt. 

SPORT

Een gezonde geest in een gezond lichaam. In tijden waarin de werkdruk hoog ligt en het aantal burn-outs toeneemt, moet de stedelijke overheid een tandje bijsteken om haar inwoners aan het bewegen te krijgen. De stad moet de helende en verbindende rol van het sporten centraal stellen. Er moeten aanhoudende inspanningen worden verricht om de sportieve participatie van álle Antwerpenaren te verhogen. Het sportsubsidiereglement moet daarvoor als een blijvend instrument dienen, en binnen de burgerbegroting moeten sportprojecten hoger op de agenda komen te staan. Hiervoor moeten de districten een kader opmaken waarbinnen de maximalisatie van de sportieve participatie, voor jong én oud, kan worden gerealiseerd.

Verder moeten de buurtpleintjes de stuwende kracht worden achter een sportieve wijk en toegankelijk blijven voor iedereen. De stedelijke overheid moet er verder ook voor zorgen dat de integrerende kracht van sportactiviteiten betrokken worden in het onthaal- en inburgeringsbeleid. Tot slot dient de stad de geleverde inspanningen, in het jaar waarin Antwerpen sporthoofdstad van Europa werd, zo veel mogelijk verder te zetten door de aangewende middelen voor sportfaciliteiten te behouden of zelfs te verhogen. In functie van de grootstedelijkheidskenmerken moet Antwerpen hiervoor op de blijvende steun van bovenlokale overheden kunnen rekenen.

JEUGD

Antwerpen koestert de jeugd en organiseert via de districten het lokale jeugdbeleid. De ademruimte van jongeren in de stad moet letterlijk en figuurlijk vergroten. De stedelijke overheid moet er via de districten voor zorgen dat elke wijk ook op maat van de allerkleinsten wordt georganiseerd. Dit moet ze verwezenlijken door de lokale jeugdbewegingen en jeugdverenigingen te ondersteunen. Het verenigingsleven blijft een duurzame partner van de districten op het gebied van jeugdwerk, maar de stedelijke overheid dient ervoor te zorgen dat jongerenparticipatie niet wordt verengd tot participatie binnen een vereniging. We bepleiten bijgevolg een omschakeling van een subsidiebeleid dat vandaag vooral op vzw-structuren is gebaseerd, naar een beleid dat iedere vorm van jongerenparticipatie faciliteert. Hiervoor dienen alle districten de mogelijkheid te krijgen het systeem van de burgerbegroting op te schalen, en moet ieder individu projecten kunnen indienen die onder meer binnen het domein van jeugdwerking vallen.

Naast de verhoging van de participatiegraad bij jongeren, moet ook het jeugdwelzijnswerk worden gestimuleerd. Zo hebben straathoekwerkers en pleinanimatoren een belangrijke rol in de begeleiding van jongeren en zijn zij voor hen vaak het eerste aanspreekpunt. De districten moeten dus verder inzetten op straat- en pleinwerking, maar dienen ook deze vorm van maatschappelijk engagement – gaande van sociaalpreventieve buurttoezicht en conflictbeheersing, tot sociale cohesiebevorderende wijkwerkingen – te harmoniseren met het stedelijke kader van de participatiesamenleving. Alleen op deze manier kan de stad, desgevallend met de inzet van sociale entrepreneurs, alle participatie-initiatieven coördineren en maximaal laten renderen.